Vondelkerk

Adres: Vondelstraat 120a, Amsterdam
Bouwjaar: 1872-1880
Architect: P.J.H. Cuypers
Restauratie architect: Architectenbureau J. van Stigt
Opdrachtgever: Stichting Vondelkerk
Bouwbedrijf:  Aannemersbedrijf J. Kneppers
Bouwsom: ca. €1.040.000,-
Start bouw: 1986
Jaar van oplevering: 1986
Bijzonderheden:

 

Categorie: Tags: ,

Beschrijving

De Vondelkerk, een van de eerste herbestemmingen in Amsterdam

Het behoud en de herbestemming van de Vondelkerk is tot stand gekomen door de inzet van actieve buurt­bewoners en vrienden van monumentale gebouwen in de (binnen)stad. Lydia Lansink, cultuur­historica, die jarenlang heeft gewerkt voor en bij het Amsterdams Monumenten Fonds en Dorien van der Waerden, een vrouw die naar haar eigen zeggen van kinds af aan betrokken was bij de politiek waren daarin de stuwende krachten. De ervaring met de geslaagde reddingsactie voor het behoud van het Zuiderbad kwamen de beide vrouwen goed van pas, toen ze besloten zich in te zetten voor het behoud en de verbouwing van de Vondelkerk.

Een kerk met een kleurrijk verleden

De start van de bouw van de Parochiekerk Allerheiligst Hart van Jezus zoals de Vondelkerk officieel heet, is al even moeizaam geweest als de herbestemming in 1986. Toen in 1873 twee traveeën van het koor met absis klaar waren, was het geld op en kon alleen nog een houten hulpgebouw worden toegevoegd voor het houden van de eredienst. Om de bouw te voltooien wordt in 1875  een ‘verloting van kunstvoortbrengselen en voorwerpen van smaak’ gehouden. De loten kostten één gulden per stuk en de opbrengst bedroeg ƒ45.000, genoeg om de kerk voorlopig af te bouwen. Decennia lang fungeerde de Vondelkerk als het paradepaardje van katholiek Amsterdam. Eind jaren vijftig vroeg het kerk­bestuur subsidie aan voor een restauratie, volgens een plan van architect G.M. Leeuwenberg te Utrecht. In 1967 reserveerden het Rijk en de gemeente Amsterdam ieder 30% van de kosten, maar het bisdom Haarlem, dat een renteloze lening had beloofd, bedacht zich. Het slinkende aantal parochianen van de Vondelkerk én de bodemloze put die de restauratie van de St. Nicolaas buiten de Veste aan de Prins Hendrikkade dreigde te worden, leidden tot het besluit het geld in de Nicolaas te steken. In en om de kerk speelden zich inmiddels opmerkelijke taferelen af. Binnen de parochie trad een schisma op; de pastoor voerde de vrijzinnigen aan en de kapelaan de orthodoxe groep. In de buurt werden pamfletten verspreid met een prentje van een lijn met gezins­was, vanuit de pastorie gespannen naar de toren van de kerk; de toenmalige pastoor was namelijk een verhouding begonnen met een gehuwde moeder. Schande werd ook gesproken van het feest dat op 23 oktober 1969 in de kerk werd gehouden om de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Gerard Kornelis van het Reve te vieren. Het was een prachtige plechtigheid die, gefilmd door Hans Keller, werd uitgezonden door de VPRO-televisie. Er werden witte duiven losgelaten, die bijkans verdwenen in de rookwolken, want er werd stevig gerookt en gedronken.”

Het bisdom wil van de kerk af

Door al deze ontwikkelingen en als gevolg van de mislukte restauratie gaat de toestand van de kerk zienderogen achteruit. Het bisdom sloot de kerk en bood de Vondelkerk voor een symbolisch bedrag aan. De aannemer ging

echter failliet en de kerk stond leeg. In 1981 namen zes krakers hun intrek in de kerk. In de zomer is die in gebruik als sleep-in. De entree bedroeg voortaan ƒ2,50.

De stichting Vondelkerk wordt opgericht

Het is tegen deze achtergrond dat in oktober 1981 de stichting Vondelkerk wordt opgericht. De stichting zocht jarenlang naarstig naar een geschikte invulling voor de kerk maar dat lukte niet.
In de loop van 1984 werden twee dingen duidelijk:
1 het verlenen van een algehele of gedeeltelijke sloopvergunning zou niet langer kunnen worden tegengehouden omdat het gebouw gevaar ging opleveren
2 alleen door de kerk aan te kopen en een alternatief plan voor inwendige verbouwing in te dienen zou Cuypers’ mooiste voor de poorten van de hel kunnen worden weggesleept’.”

Het herbestemmingplan van André van Stigt

Voor de aankoop van de kerk en de financiering van de verbouwing was natuurlijk eerst een plan nodig. Aan André van Stigt werd gevraagd een “haalbaarheidsplan op het niveau van een definitief plan” op te stellen. Dorien van der Waerden: “Voor het verbouwingsplan kwamen we via Jan Dekkers, directeur van Monumentenzorg, met André van Stigt in contact, die toen al de naam had dat hij wel voor een redelijke prijs een plan zou kunnen maken. Hij is verkozen boven een aantal andere architecten. In het begin kwam hij nogal nukkig en opvliegend over. Hij was geen gemakkelijk mens, maar hij wilde wel graag dat het een succes werd en werkte er hard aan. Zijn inzet was vanaf het begin dat de kerk weer een publieksruimte zou moeten zijn en minder een kantoorruimte.”

Lydia Lansink: “Zonder overdreven enthousiasme nam Van Stigt de opdracht aan, op basis van’ no cure no pay’. Hoewel hij een enkele keer ’s nachts naar binnen kroop om opmetingen te doen en zich dus schuldig maakte aan ‘huisvredebreuk’, moest hij bij het maken van zijn plan grotendeels varen op Cuypers’ ontwerptekeningen, opgevraagd bij het bisdom. De ingreep bestond uiteindelijk, van beneden naar boven, uit het maken van een ‘drijvende bak’, c.q. kelder beneden het grondwaterpeil, in samenhang met aanvullend draagvermogen voor de fundering, het toevoegen van vloeroppervlak in het schip en het koor op 2,40 m en 7m hoogte en het aanbrengen van simpel vormgegeven binnenpuien van staal (met grijze poedercoating) en glas. Zo ontstonden 1200 vierkante meters, met een huurprijs van gemiddeld ƒ150,- per m2 per jaar.
Het was een zeer bewuste keuze de achthoekige centrale ruimte intact te laten, omdat deze een bij uitstek karakteristiek element in het architectonische concept vormt. Aangezien de vloeren de toetreding van daglicht door de hoge vensters zouden belemmeren, werd het aanbrengen van extra ramen in de borstwering noodzakelijk. De ‘centrale’ zaal met de aangrenzende kapellen en nissen kon gelukkig ongeschonden blijven en de binnenpuien zijn op uiterst terughoudende wijze vervaardigd, met een minimum aan materiaal (staal en glas), zodat de continuïteit van Cuypers’ schepping, van vorm en kleur, zeer goed waarneembaar blijft. Na rijp beraad is, wat de kleur van de puien betreft, niet gekozen voor het (verleidelijke) contrastmodel, maar voor het harmoniemodel: grijs, met wat Engels rood gemengd. André van Stigt heeft de discipline kunnen opbrengen, zich geheel in dienst van het monument te stellen, zonder echter Cuypers na te apen.”

 Aankoop en financiering

Op basis van dit plan gaat de stichting aan de slag om geld te verwerven voor de aankoop van de kerk en de financiering van de restauratie. Lydia Lansink: “De Stichting Vondelkerk had een tientje voor de kerk geboden, maar de vraagprijs was en bleef ƒ55.000. Verder zou, ook als restauratiesubsidie zou worden toegekend, een groot deel van de werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen en dus door middel van een aanzienlijke lening bekostigd moeten worden. Het viel niet mee aspirant-huurders te bewegen een langlopend contract te tekenen voor een ruimte die ze nooit hadden gezien, in een nog gekraakte, bouwvallige kerk. En huurcontracten en een concreet bouwvoornemen waren nou juist harde voorwaarden voor de overheid en de rechtbank om mee te werken aan respectievelijk de financiering en de ontruiming van de kerk.”
Dorien van der Waerden: “In de zomervakantie zijn we gaan overleggen met de makelaar en toen dacht ik: ik ga het zelf kopen. Iedereen schrok zich dood. De beoogde aannemer Kneppers wilde wel wat geld lenen, als hij de opdracht maar kreeg. Die kreeg hij want, bij de aanbesteding kwam hij er als goedkoopste uit.” Het aankoopbedrag wordt enige tijd later als subsidie toegekend door het Stimuleringsfonds Stads- en Dorpsvernieuwing van de provincie Noord-Holland, zodat de Stichting weer met een schone lei kan beginnen. De financiering van de restauratieplannen kent nog wel enige complicaties. Uiteindelijk wordt een bedrag van ƒ1,7 mln aan restauratiesubsidies toegezegd door rijk en provincie. Maar een belangrijk deel van de kosten bestaat uit niet-subsidiabele ingrepen: de eigen bijdrage in de restauratie en de gehele inbouw.
Lansink: “Tot dusverre hadden de banken smakelijk gelachen om het voorstel geld te steken in een gekraakte bouwval (‘al gaf u geld toe!’) en toonde Amsterdam, door schade en schande wijs geworden, niet veel animo voor het verstrekken van een gemeentegarantie. De experts van Grondbedrijf begrepen de kosten-baten analyse niet. Zij vroegen zich af hoe het zat met personeelslasten en afschrijving op het gebouw. Men vond het maar raar dat de hele miljoenenaffaire draaide op vrijwilligers.” Uiteindelijk gaat de gemeenteraad na een warm pleidooi van wethouder Enneus Heerma akkoord met het garanderen van rente en aflossing van een lening bij de Postbank.
Lansink: “We hadden ook een goede medestander in Hans Verkoren van de ING Bank (toen nog NMB), die aan de Stichting Behoud Vondelkerk een lening met een vrij lage rente wilde verstrekken, ook al omdat we een gemeentegarantie hadden. Een goed netwerk van persoonlijke contacten is voor dit soort zaken zeer belangrijk! Het kan net de doorslag geven. Daarnaast ontvingen we ongeveer twee ton aan particuliere bijdragen, waarbij het aandeel van het Prins Bernhard Fonds en de talrijke giften van de omwonenden niet onvermeld mogen blijven. Zo bleek het mogelijk zonder één cent eigen geld een project van ruim drie miljoen van de grond te tillen!”

Verhuur en exploitatie

Een apart probleem bij de herbestemming van een kerkgebouw is het verhuren en exploiteren van de aanwezige ruimten. We hebben hiervoor al gezien dat het noodzakelijk was 1200 m2 extra vloeroppervlak te realiseren, maar daarvoor moet je dan ook nog betrouwbare huurders zien te vinden, die een contract willen tekenen voor een ruimte in een zwaar verwaarloosd en bouwvallig monument. Dorien van der Waerden: “De gemeente geloofde eerst dat de kerk niet te verhuren was. Maar dat bleek wel het geval. Openbaar Kunstbezit wilde een groot deel van de kerk huren en het andere deel heb ik kunnen verhuren aan de Kaktusgroep van Peter Jan Rens. De lening van de bank hebben we daarna afbetaald met de inkomsten uit de huren. We hebben ook nog jarenlang feesten georganiseerd om inkomsten te verwerven. De vrijwilligers van de stichting Vondelkerk met Jenny Bierenbroodspot en mijzelf voorop hebben daar veel tijd en energie in gestoken.”

Knelpunten in de herbestemming

Tenslotte beschrijft Lydia Lansink de voornaamste problemen die zich hebben voorgedaan in het proces van tegenhouden van de sloop en herbestemmen van de kerk: “Van het eerste begin tot heden hebben de werkzaamheden zich voltrokken onder hevige druk van de factoren tijd, geld en overheidsvoorschriften. De overeenkomst met Openbaar Kunstbezit bevatte de ontbindende voorwaarde dat de oplevering uiterlijk op 1 september 1986 zou plaatsvinden. De krakers vertrokken pas na een kort geding, het opruimen van hun rommel en het uitgraven van de kelder duurden veel langer dan was voorzien en tot overmaat van ramp was de winter lang en streng. Worden de zenuwen van opdrachtgeefster, architect en aannemer al zwaar op de proef gesteld door de voortdurende haast, het krappe, zeg maar rustig ondermaatse budget doet er nog eens een schepje bovenop. Ruim 3 miljoen gulden lijkt veel, maar is voor een volledige restauratie, met inbegrip van aanvullend draagvermogen en alle onderdelen, zoals het torenuurwerk en het hek, plus de inrichting tot een gebouw dat aan hedendaagse eisen voldoet, niet toereikend.”

Gemeentelijke voorschriften

Lansink: “Een hoofdstuk apart vormen de gemeentelijke regels en voorschriften. Een jaar of tien keek geen mens naar de Vondelkerk om, maar zodra wij met de bouw waren begonnen, viel het hele gemeentelijke apparaat over ons heen en werd een ontzagwekkend pakket voorschriften op ons losgelaten, die niet alleen duur bleken te zijn, maar ook niet zelden in strijd met elkaar en met de eisen die een topmonument stelt.
Zo verlangde de Brandweer binnenpuien, waar wij ze absoluut niet nodig hadden, moesten op in het oog lopende plaatsen brandslanghaspels in kanjers van kasten komen en dienden sparingen in gewapend betonnen dammen te worden gemaakt, waar de constructeur en het Gemeente energiebedrijf ze juist niet wilden hebben. Het had niet veel gescheeld, of de buitenkant van de kerk was opgesierd met brandtrappen. Natuurlijk is het goed dat er voorschriften zijn en ambtenaren om op de naleving daarvan toe te zien. Die ambtenaren hadden geen boodschap aan het delicate en idealistische karakter van de onderneming, zagen in ons een doodgewoon bouwproject en waren ons in hun ijver bijna noodlottig.”

Conclusie

De herbestemming van de Vondelkerk laat zien dat in de jaren ’80 noch de kerkeigenaren, noch de gemeente een beleid voerde dat gericht was op hergebruik en restauratie. Dankzij een actief burgercomité en een zeer kostenbewuste architect werd deze kerk van de sloop gered. De herbestemming van de Vondelkerk was in tal van opzichten een doorbraak in het denken over de restauratie en herbestemming van kerken en heeft mede geleid tot de oprichting van het Amsterdams Monumentenfonds. Het bleek in de jaren daarna een lichtend voorbeeld voor andere initiatieven.

 

Op de kaart